Current Exhibitions

Recent works

Works
2005-2014

Works
2001-2004

Works
1995-2000

Texts about the work of Juul Kraijer

Texts by the artist

Curriculum Vitae

email

 

This site was designed and created by bomdesign: http://www.bomdesign.nl

The copyright of the artworks is the property of the artist.

 

 

SETTING VOOR HET SPIEGELBEELD
Over de tekeningen van Juul Kraijer

Juul Kraijer (1970) tekent orakelachtige wezens, afkomstig uit een voorwereldlijk domein, waar mensen even vanzelfsprekend samengaan met dieren als met het landschap. Of zelfs met het licht.
Hier rijst een gehurkte vrouw hoog voor ons op, naakt, maar gesluierd door wolkenflarden die misschien eerder ademflarden zijn. Zij is door stoom omgeven en stoomt zelf, nimf noch vrouw van nevelen, maar een dampende fysieke aanwezigheid. Kraijer heeft haar getekend met houtskool en het lijkt erop dat niet alleen die verkoolde stof maar ook het hout en de eens in de aarde gewortelde boom waar dat hout aan groeide zijn vereeuwigd in de roetzwarte contouren van die vrouw en heel haar roetzwarte lijf — hoe wasemend wit het ook is. Lichtend wit, zelfs. Zij is inderdaad het één zowel als het ander, zwart en wit tegelijk.
Evenals vrijwel al Kraijers hybride figuren onttrekt deze vrouw zich aan andermans aandacht, zo ook aan onze blik. Hoewel zij voor ons poseert, zich in elk geval frontaal naar ons toekeert, blijft zij ongenaakbaar als een godin. Met geloken ogen gaat zij op in zichzelf. Ze is verzonken in een proces van metamorfose, op de grens van lichaam en landschap; van lichaam en geest — een toonbeeld van concentratie. En zoals het met haar is gesteld, is het met de meeste serene wezens die Kraijer sinds meer dan tien jaar tevoorschijn tekent.
Zij roept fabelfiguren, geestesverschijningen, godheden en halfgoden in het leven, die ons iets voorhouden dat nooit precies te ontraadselen valt. Het voorbeeldige van hun verschijning heeft bovendien iets bedrieglijks, zoals wordt gereflecteerd door de spiegelachtige slang met het gezicht van een jonge vrouw. Het lenige lichaam omlijst haar profiel, als in een camee. De slang heeft zich tot een ovaal gedraaid, sieraad en setting ineen, maar een setting voor niets meer of minder dan het eigen spiegelbeeld. Kraijer zelf typeert dit gedrag in strenge bewoordingen: volgens haar verkeren haar recente figuren meer dan eens in ’een staat van totale zelfabsorptie.’
Met zekerheid kun je hooguit constateren dat de elegante, maar ondoorgrondelijke wezens die in haar oeuvre samenkomen, heel dat exotische gezelschap van in zichzelf gekeerde natuurschepselen, een belichaming zijn van de concentratie zelf. Het is alsof zij zich in stilte afstemmen op een hogere staat van zijn, voorbij de menselijke rede. Het wit van het tekenpapier dat hen omringt is hun heiligdom — en zij reiken zo te zien gericht naar dat blanco universum, in een zintuiglijke overgave aan het heel en het al, dat, of het nu wasemend of cirkelend is, eindeloos groter en kleiner wordt.
In deze Kraijeriaanse invloedsfeer, waar wolkenflarden evengoed ademflarden kunnen zijn, wijkt het verschil tussen buiten- en binnenwereld; tussen het eigene en alles wat daar vreemd aan is: in de opperste concentratie vervliegt het zelfbewustzijn. Deze paradox kenmerkt Kraijers figuren: hun zinnen worden tegelijk op scherp gesteld én uitgeschakeld. Ogen zijn geloken of gesloten, gezichten veelal afgewend. Maar het oog kan ook ineens verschieten, met de snelle beweeglijkheid van een visje, zoals bij de vrouw met de dubbele iris; de dubbele pupil. En bij een ander vermenigvuldigt het oor zich tot een veelvoud aan oren, een schedel wordt erdoor overdekt, een en al gehoor. Het moeten ijle geluiden en beelden zijn die zij opvangen, te ijl voor ons, het publiek. Dankzij Kraijers fabuleuze tekentalent delen wij in de fijngevoeligheid van haar hybriden, maar tot op zekere hoogte. Zij verleiden ons tot een gedetailleerde manier van waarnemen, maar hun zintuiglijke dubbelzinnigheid treft ook ons. Zelfs al spreken deze figuren met vele tongen, vlammend zoals de vrouw die er over haar hele lichaam tientallen tegelijk uitsteekt, dan nog doen zij er, niets onthullend, het zwijgen toe.

Wilma Sütö

2005